Samen surfen

Samen surfen‘O, wat is het hier mooi!’ roept Paul.
Hij kijkt naar het strand en de mooie blauwe zee.
Paul is samen met zijn ouders en zijn kleine zusje Selma op vakantie.
En natuurlijk met Bob, hun hond.
‘Hoe vind jij het strand, Bob?’ vraagt Paul.
Maar Bob heeft het te druk.
Hij kijkt om zich heen.
Er zijn al veel mensen op het strand.
Rennen kan nu niet, maar hij kijkt naar de zee.
‘Zullen we gaan zwemmen?’ vraagt Paul.
‘Nee, ik wil taartjes van zand maken’, zegt Selma.
‘Mam, mag ik de zee in?’ vraagt Paul weer.
‘Wat had ik nu gezegd? Niet alleen de zee in’, zucht zijn moeder.
‘En als Bob op me past?
Dan zal ik op hem passen’, belooft Paul.
Alle honden kunnen zwemmen.
Bob kan zelfs héél goed zwemmen.
‘Bob, zul je goed op Paul passen?’ vraagt zijn vader.
‘Woef!’ antwoordt Bob.
Paul trekt snel zijn kleren uit.
Zijn nieuwe zwembroek met een surfer er op heeft hij al aan.
‘Kom mee, Bob!’ roept Paul en rent naar de zee.
Bob gaat mee, maar hij rent veel harder.
Daarom is Bob als eerste in zee.
Paul heeft een bal voor Bob meegenomen.
Hij gooit de bal en Bob zwemt of rent er snel naartoe.
Paul gooit de bal naar het strand of in het water, maar niet ver de zee in.
Anders mogen Bob en hij niet meer het water in!
Even later komt zijn vader ook in zee.
‘Je blijft heel goed in de buurt van het srand.
Zo mag je samen met Bob in zee spelen’, zegt zijn vader trots.
Ineens ziet Paul een paar kinderen surfen.
Zijn vader zegt dat hij daar nog te klein voor is.
Maar die kinderen zijn net zo groot als hij.
‘Kijk eens pap’, zegt Paul.
Hij wijst naar de surfende kinderen.
Ben ik echt nog niet groot genoeg om te surfen?’
Zijn vader denkt even na.
‘Zie je dat huisje? Daar mag je surfplanken lenen.
We gaan even naar het strand om ons af te drogen.
Daarna lopen we naar het huisje om te vragen hoe oud je moet zijn om te mogen surfen.’
Bob loopt met hen mee.
‘Aààh!’ horen Paul en zijn vader ineens achter zich.
Ze draaien zich om en zien dat Bob zich heel hard uitschudt.
Alle mensen om hem heen worden nat.
Gelukkig is dat op het strand niet erg.
Daarom moet iedereen ook lachen.
Paul en zijn vader drogen zich af.v Zijn vader trekt zijn surfpak aan.
Dan lopen ze naar het huisje.
Paul weet niet wat zijn vader zegt, want ze zijn in een ander land.
Hier spreken ze een andere taal. Best spannend!
‘Die mevrouw zegt dat je misschien nog niet sterk genoeg bent om te kunnen blijven staan’, zegt zijn vader.
‘En kinderen mogen vandaag surfen omdat er geen sterke wind staat. Anders mag het niet.’
‘Mag ik het toch een keertje proberen?’ vraagt Paul.
Dat mag. Zijn vader kan surfen, dus hij kan Paul helpen.
Paul gaat op de kleine surfplank staan.
Het is een surfplank voor kinderen met een klein zeil.
Surfen lijkt zo makkelijk als zijn vader het doet.
Maar dát valt tegen!
Paul geeft natuurlijk niet zomaar op.
Hij valt een paar keer bijna om.
‘Woef!’ blaft Bob ineens en hij springt op de surfplank naast Paul.
Het lukt! Samen zijn ze zwaar genoeg en slaat de surfplank niet om.
Nu gaat het beter.
Zijn vader helpt hem met het zeil.
Paul weet al een beetje hoe je moet surfen.
Hij kijkt graag naar zijn vader als hij surft.
‘Bob, pas jij goed op Paul?’ vraagt zijn vader.
Bob gaat met zijn staart heen en weer.
Dat doen honden als ze iets leuk vinden.
‘Woef!’ blaft Bob.
Paul krijgt van zijn vader een echt surfpak.
‘Maar je mag alleen surfen als Bob en ik er bij zijn,’ zegt zijn vader streng.
Selma bakt die vakantie heel veel taartjes van zand.
Paul gaat vaak surfen met Bob.
Zijn vader maakt foto’s van hen.
Net zoals op deze tekening.
Kun jij Paul, Bob en de surfplank een beetje kleur geven?
Hartelijk bedankt.

Meer informatie

Meer verhaaltjes van Anne-Rose Hermer
Voorleesverhaaltjes voor peuters en kleuters
Het belang van voorlezen

Bronvermelding

Illustratie en tekst: Anne-Rose Hermer



BabyBaby

Geef een reactie